In onze informatiecultuur lijkt er nog maar weinig plaats voor schilderkunst.
Maar
Sander van Deurzen (1975, Academie B.K. Maastricht) ziet de trage schilderkunst juist als een welkome afwisseling met andere, snellere media. Kort na het verlaten van de academie maakte hij daarom de overstap van installatiekunst naar schilderen.
Aan de ene kant ziet hij het schilderen als een absurde activiteit, maar ook is het verhaal van de schilderkunst een rijk verhaal, dat zijn waarde door de eeuwen heen steeds weer heeft weten te bewijzen.
Hij wil werken binnen deze dualiteit door schilderijen te maken die een ongewoon soort realisme tonen. Dit absurde realisme, een karikatuur van de realiteit, dient als metafoor van wat we dagelijks om ons heen zien op straat en in de media. Zijn beeldtaal is gebaseerd op een klassiek Nederlands thema, de schoonheid van de vergankelijkheid. De vormen zijn gekarikaturaliseerd om de onderwerpen dragelijker te maken, in schilderijen waarin het leven grappig en tragisch is en dat vaak ook nog tegelijkertijd.
Door de vormen te overdrijven wil hij tot een abstrahering komen die hem de ruimte geeft om voorstelling en werkwijze samen te laten vallen. Hij gebruikt daarvoor onorthodoxe materialen, zoals sponzen in plaats van penselen. De klassieke olieverf is geleidelijk vervangen door het plastic van acryl.
Alles is in één directe laag op het doek gezet, waardoor de schilderijen transparant zijn en elke handeling navolgbaar is. Sander van Deurzen wil weg van de zichtbare realiteit, om ‘juist datgene in beeld te brengen wat je niet kunt zien, maar waarvan je weet dat het er is’. Volgens hem is schilderen daartoe een heel adequaat middel